Nienke van Hichtumprijs 2019

Paarden kunnen niet praten, zegt de zebra
Over Zeb. van Gideon Samson
Mirjam Noorduijn

‘Hik sprik sprouw, ik geef de hik aan jou. Ik geef de hik aan anderman, die de hik verdragen kan.’ Dit is een oud volksrijmpje dat, als je het een aantal keer snel achter elkaar opzegt, helpt de hik te verdrijven. Of het waar is, kan je natuurlijk betwijfelen. Maar daar gaat het hier niet om: de waarheid is iets dubieus voor Gideon Samson. Veel interessanter is het te bedenken wat er zou kunnen gebeuren als je het rijmpje letterlijk opvat en uitvoert. Samson heeft dit uitgeprobeerd, met groot succes. In het zesde verhaal in Zeb. vertelt Ziva – een van de elf kinderen uit de klas van juf Cato die in Samsons bundel een verhaal opdist – hoe de hik, die ze overigens niet bij naam en toenaam noemt, al drie weken bij haar thuis rondwaart en alle vier de gezinsleden tot wanhoop drijft. Ploegendienst moet uitkomst bieden: ieder neemt ’m steeds twee uur achter elkaar en geeft ’m dan door aan degene die aan de beurt is. Totdat moeder er niet langer tegen kan en besluit om ’m aan iemand buiten het gezin te geven, hoe lullig de betrokkenen dit ook vinden. Want als je een beetje sociaal voelend bent, doe je zoiets niet, legt Ziva uit.

Samson speelt in bovengenoemd verhaal vernuftig met de letterlijke betekenis van de woorden. Zonder dat je dit als lezer weet – het volksrijmpje komt ook nergens in het verhaal voor – is dat zijn vertrekpunt. Wat volgt klinkt derhalve volstrekt logisch. Tegelijkertijd weet iedereen dat je de hik echt niet zomaar als een soort estafettestokje kunt doorgeven. Dat ongemerkt verdraaien van steeds een specifiek aspect van onze (talige) werkelijkheid, waardoor een vervreemdend perspectief ontstaat, is het fascinerende geheim van de verhalenbundel Zeb.. Wat onmogelijk is, maakt Samson mogelijk.

Neem het openingsverhaal. Daarin vertelt Imara, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, dat ‘de nieuwe’ in de klas een zebra is. Weliswaar heeft het klasgenootje een echte meisjesnaam, Ariane, maar vanaf het moment dat juf Cato haar aan de klas voorstelt als Zeb., omdat dat nu eenmaal op het etiket staat (‘Zet-ee-bee. Met een punt erachter’), is die zebra een voldongen feit. En dat resulteert in heerlijk humorvolle en verwarrende observaties: over haar onhandige motoriek, over haar ‘hoeven’ die nogal veel geluid maken, en over haar voorkeur voor groene blaadjes boven kauwgom. Ronduit hilarisch is de dubbelzinnige scène waarin Imara vertelt hoe zij en Zeb., alias Ariane, ‘paardje’ op het schoolplein spelen, met Ariane in de rol van temmer en zijzelf in de rol van paard. En hoe Ariane haar erop wijst dat paarden niet kunnen praten als ze Ariane vraagt hoe ze moet draven. Het spel moet wel volgens de regels worden gespeeld. ‘Dat hoort zo,’ vindt Ariane, ook al ‘doen we maar alsof’.

De wereld zoals we die kennen is en blijft de norm, maar door de logica van de werkelijkheid te tarten zet Samson die even meesterlijk als vakkundig op zijn kop. De ontregeling die dat teweeg brengt is spannend, speels, humorvol en soms licht onheilspellend. Zoals in het verhaal van Wies, waarin haar vriendinnetje Noepy, terwijl ze samen haar ‘zusjes Barbie doormidden zitten te knippen’, oppert om tijdelijk van hoofd te ruilen. Daarbij moet worden opgemerkt dat de zwierende, gestileerde en karikaturale illustraties van Joren Joshua het absurdistische en surrealistische karakter van de verhalen op een geweldige manier versterken. Dat er na verschijning van de verhalenbundel Zeb. een sterrenregen op Samson (en op Joshua) is neergedaald, is volstrekt terecht. Was er ooit eerder zo’n boek verschenen in de Nederlandse kinder- en jeugdboekenwereld? Zo literair, zo weldoordacht, zo gevat, zo dubbelzinnig, zo oprecht humoristisch, zo vervreemdend, zo absurd, en zo uniek?

 

Natuurlijk, dit is een retorische vraag; we hebben het over de winnaar van de Nienke van Hichtumprijs 2019. Toch, over de originaliteit met betrekking tot het door recensenten veelgenoemde en geprezen absurde karakter van de bundel, valt nog wel wat te zeggen. Interessant om te weten is dat Samson op het idee voor Zeb. kwam toen hij jaren geleden tijdens een schoolbezoek voorlas uit Ida stak een zebra over van Nicolaas Matsier, die, eigenlijk een schrijver voor volwassenen, daar in 1987 een Zilveren Griffel voor kreeg. In het titelverhaal van dat boek steekt Ida een zebra over, wordt bijna aangereden en schrikt zich daarbij letterlijk een hoedje, waarna ze op het idee komt om dit vaker te doen en zo met alle geschrokken hoedjes een hoedenwinkel te openen onder de naam ‘Idee van Ida’.

Bij het voorlezen van Ida stak een zebra over, zo vertelde Samson aan kinderboekenrecensent Bas Maliepaard in een interview in Trouw van 29 september, was er geen kind dat vroeg: ‘Hoe kan dat?’. Op zich is dat niet vreemd: het woord kinderlogica zegt het al. De taal die kinderen zich eigen aan het maken zijn, helpt ze de werkelijkheid te herkennen en benoemen, maar ze denken nog niet in een patroon van oorzaak, gevolg en bewijs, zoals volwassenen dat doen. Matsiers talige spel met letterlijkheid, dat gebruik maakt van die eigen denkwijze van het kinderbrein, en het bevreemdende perspectief in zijn verhalenbundel inspireerde Samson: ‘Dat een nieuw klasgenootje in mijn boek een zebra blijkt te zijn en niemand daarvan opkijkt, is absoluut een verwijzing naar Matsier,’ zei hij in Trouw. ‘En de grapjeswinkel in mijn boek had niet bestaan zonder de woordenwinkel in zijn boek.’

Het is geen toeval dat Samson Matsier als inspiratiebron noemt. Niet geheel toevallig is hij behalve schrijver ook de vertaler van Alice’s Adventures in Wonderland (1865) en Through the Looking Glass (1871) van Lewis Caroll, die volgens Matsier en vele anderen daarmee het eerste nonsensproza schreef. Toen ik Matsier tien jaar geleden over zijn vertaalwerkzaamheden sprak voor een interview in NRC Handelsblad zei hij hierover: ‘Alle pseudovolwassenen die Alice in Wonderland en later in Achter de spiegel tegenkomt – de Rups, de Hoedemaker, Wiggel Waggel – negeren de bestaande taalafspraken. Alice zelf is eigenlijk een dapper, hoffelijk Victoriaans meisje, dat daardoor in een voortdurende staat van reusachtige verwarring komt. Ze is een gewoon kind in een wereld vol volwassen gekken, in een wereld op zijn kop, zonder moraal. In die zin zijn de boeken behalve een goede grap ook rebels, zonder dat ze iets of iemand aanklagen.’

Dit citaat van Matsier raakt aan de kern van wat nonsensliteratuur is. Een genre dat je zou kunnen beschouwen als een soort parodie op het vergeefse menselijke verlangen om altijd alles maar te willen begrijpen. In Nederland zijn er niet veel (kinderboeken)schrijvers die zich eraan wagen. Toon Tellegen benadert met zijn dierenverhalen het genre wellicht nog het meest. Sinds 1984 schrijft hij over het betekenisloze bestaan van de eekhoorn, de olifant en de andere bosbewoners, die zich stelselmatig onttrekken aan alle biologische wetmatigheden en de werkelijkheid zodanig ontwrichten dat alle zekerheden verdwijnen en een absurde biotoop ontstaat. Joke van Leeuwen komt ook in de buurt, met haar eigenzinnige kinderkarakters die met hun oningevulde blik de wereld licht en vrij aanschouwen en zo de boel ontregelen. En natuurlijk is er Annie M.G. Schmidt. Het gedicht ‘Juffrouw Scholten’ is een prachtig voorbeeld van nonsenspoëzie:

 

Denk aan juffrouw Scholten,
die is vandaag gesmolten,
helemaal gesmolten, op de Dam.
Dat kwam door de hitte,
daar is ze in gaan zitten
– als je soms wil weten hoe dat kwam.
Ze hebben het voorspeld: Pas op juffrouw, je smelt!
Maar ze was ontzettend eigenwijs…
Als een pakje boter,
maar dan alleen wat groter,
is ze uitgelopen voor het paleis.

 

Probeer de clou van dit gedicht vooral niet te achterhalen. Die is er niet. Nonsens, oftewel onzin, gaat juist over het ontbreken van zin. Heel simpel gezegd is dit ook de basis van het absurdisme, zoals Albert Camus die introduceerde in De mythe van Sisyphus (1942). Daarin stelt hij dat Sisyphus zijn absurde taak (eeuwig een rotsblok een steile berg opduwen, waarna de steen telkens vanaf de top weer naar beneden rolt) moet omarmen. Absurdisme gaat ervan uit dat de mens existeert in een betekenisloze wereld en – zolang hij zich niet van het leven berooft, of zich overgeeft aan het geloof – derhalve een absurd bestaan leidt. ‘De strijd op zichzelf tegen de top is voldoende om het hart van een mens te vullen’, aldus Camus. ‘We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.’ In de literatuur kan die afwezigheid van zingeving twee kanten op werken. Of het resulteert in een angstaanjagend nihilisme, of, en dat geldt vooral voor de jeugdliteratuur, in een nonsensicale humor die alle vanzelfsprekendheden wegblaast.

In PerleXicon; Het abc van de nonsens (2007), een bloemlezing en lexicon over nonsensliteratuur van Gerrit Komrij en Tysger Boelens, wordt nonsenshumor gedefinieerd als ‘Humor die nergens goed voor is. Het is absolute humor, l’humour pour l’humour.’  Wie zich daar niets bij kan voorstellen doet er goed aan het verhaal in Zeb. over de grapjeswinkel te lezen. Daarin ontdekt Ozzie hoe duur grapjes wel niet zijn. En dat hij voor ‘veertien-euro-dertig’ geen kwaliteit kan kopen. De doordenkers zijn te prijzig. En ook de woordgrapjes zijn ‘tamelijk onbetaalbaar’. Alleen gebruikte grapjes zouden in aanmerking kunnen komen. Of flauwe grapjes, maar die zijn op de rand van wat humoristisch toelaatbaar is. Ozzie twijfelt. Hij vraagt: ‘Heeft u anders misschien een mop? Een móp, hoe durft Ozzie het te vragen. De verkoper citeert nog net niet Gerrit Komrijs opvatting ‘moppen zijn voor de dommen’. Maar in de drie puntjes achter zijn ‘als dat is wat je zoekt…,’ kan je lezen dat het op het puntje van zijn tong ligt.

 

Zeb. valt ontegenzeggelijk onder het genre nonsensliteratuur. Met recht kan je de verhalen, die uitmunten in bondig taalgebruik en geoliede dialogen, absurdistisch noemen. ‘Weer iets heel nieuws in het oeuvre van deze immer interessante kinderboekenschrijver, die het zichzelf nooit gemakkelijk maakt,’ schreef literair redacteur Thomas de Veen van NRC Handelsblad. Dat laatste is zeker waar. Lees Samsons Annie M.G. Schmidtlezing Messen en scharen zijn kindergevaren (2014) er maar op na. Daar doemt een beeld uit op van een schrijver die hoge literaire eisen aan zichzelf stelt. Die vindt dat ‘een goed kinderboek ook geschikt is voor volwassenen’. En dat ‘als volwassenen het niet goed vinden het sowieso geen goed boek is’. Maar hoe je zo’n boek moet schrijven? ‘Ik heb werkelijk geen idee,’ aldus Samson. ‘Ik weet namelijk niet wat kinderen willen./ Ik weet niet wat een goed kinderboek is./ Ik weet ook niet wat een goede kinderboekenschrijver zou moeten doen./ Ik weet bijna niets.’ Waarna hij met lichte spot erkent dat hij al jaren last heeft ‘van een diepgewortelde identiteitscrisis’: ‘Als je bijna niets zeker weet, is het ook lastig te bepalen wie of wat je bent.’

Goedbeschouwd sluimert er onder de oppervlakte van de tekst van deze lezing absurdisme. Alleen al de vorm, een pleitrede, en de aanhef van de lezing, ‘Edelachtbare, geachte leden van de jury’, roepen lichte bevreemding op. Die koos Samson omdat hij maar niet kon verzinnen welke recente ontwikkelingen in de Nederlandstalige jeugdliteratuur hij als auteur mede had vormgegeven; de reden waarom hij was gevraagd de Annie M.G. Schmidtlezing uit te spreken. Terugdenkend aan de Annie M.G. Schmidtlezing in 2009 van Sjoerd Kuyper, die in een geruchtmakend betoog gepassioneerd zijn zorgen uitte over de neerwaartse kwaliteitsspiraal in kinderboekenland, kon Samson alleen nog maar tot de conclusie komen dat hij helemaal niets had gedaan om die te doorbreken. ‘Niets’, dat was zijn bijdrage aan de recente ontwikkelingen in de jeugdliteratuur. En hij begreep eindelijk waarom hij voor de lezing was gevraagd: ‘Het was geen eervolle uitnodiging, maar een genadeloze beschuldiging. Ik werd aangeklaagd!’

De werkelijkheid op zijn kop zetten: dat blijkt Samson dus al langer heel goed te kunnen. Ongetwijfeld komt dat omdat hij, zoals hij in bovengenoemd Trouw-interview erkende, oprecht van ‘aantrekkelijke onmogelijkheden’ houdt. En die liefde lijkt diepgevoeld. Zeb. is de ultieme pennenvrucht daarvan. Maar ook in Samsons overige oeuvre ligt het absurde voortdurend (soms zelfs gevaarlijk) op de loer.

Zo geeft hij in het prentenboek Alle dieren drijven (2017), met illustraties van Annemarie van Haeringen, een opmerkelijk ongewone draai aan het oeroude verhaal van de ark van Noach door God als verteller op te voeren, waardoor je, zeker zonder Bijbelkennis, eigenlijk niet weet dat het God is die het woord voert. Dat resulteert in licht bizarre dialogen tussen de verteller en Noach, wiens naam ook ongenoemd blijft. Bijvoorbeeld als God zich beklaagt dat de mensen rommelmakers en ruziezoekers zijn en niemand naar hem wil luisteren. Dan reageert Noach met: ‘Ik wel.’ God observeert:

 

Een man met een baard.
Een man zonder angst.
Een man zonder schild.
Een man zonder zwaard!

Kun je mij zien? vroeg ik verbaasd.
‘Doet dat ertoe?’

Hij klonk eigenwijs.
Ik besloot dat ik deze man aardig vond.

 

Leuk detail overigens: net als in Zeb. lapt Samson ook in Alle dieren drijven onze reken- en optelkunst aan zijn laars. Dat ‘twee plus twee dus gewoon vijf’ is, is een gegeven dat niet alleen Maximiliaan onderkent (zij het na enkele slapeloze nachten), maar ook God. Als Noach zijn – let op Samsons slimme spel met letterlijkheid – ‘waterdichte plan’ heeft volbracht, zegt de verteller:

 

En toen zag ik hoe de wereld volliep met dieren, met nog meer dieren en een tijdje later nog veel meer dieren.

‘Eén plus één is drie,’ zei de man. ‘Of vijf. Of negen.’

En ik begreep wat hij bedoelde.

 

Zelfs Samsons toch door iedereen als realistisch bestempelde, veelgeprezen, grimmige (jeugd)roman Zwarte Zwaan vertrekt welbeschouwd vanuit een absurd idee. Daarin wil Rifka, een meisje uit groep acht, met hulp van haar vriendin Duveke haar eigen dood in scène zetten. ‘Het lijkt mij nou echt lachen,’ licht ze Duveke haar idee toe, ‘om op je eigen begrafenis te zijn. […] Dat je het meemaakt.’ Levend dus. ‘Dat bestaat niet’, zegt Duveke. En ja, wie is het niet met haar eens? Maar Rifka denkt ‘groot’, net als haar schepper die onomwonden en in heldere taal volkomen aannemelijk maakt dat het Rifka menens is. Uit haar morbide gedachte volgt een absurd plan, dat resulteert in een ontregelend, uitzichtloos kafkaësk drama dat wordt verteld vanuit drie wisselende perspectieven en slecht afloopt. ’De waarheid is nooit precies zoals je denkt dat hij zou zijn,’ is niet voor niets het aan Johan Cruijff ontleende motto van het boek.

De twijfelachtige status van de waarheid, het houdt Samson bezig en het maakt hem tot de schrijver die hij is. In het nawoord van Overspoeld (2014), het twaalfde deel in de Slashreeks, een serie jeugdboeken die geschreven zijn op basis van het waargebeurde levensverhaal van een bijzondere jongere, schrijft hij dubbelzinnig: ‘De waarheid is soms te mooi voor een boek, en een boek is soms te mooi voor de waarheid.’ Illustratief is ook ‘Waarheid’, de titel van een van de columns in Scheids (2014), die Samson (onder het pseudoniem Menno Fernandes) voor de Achterpagina van NRC Handelsblad schreef over zijn scheidsrechtersavonturen in het amateurvoetbal. Hij vertelt daarin hoe hij voor de tuchtcommissie moet verschijnen, nadat twee voetballers elkaar te lijf zijn gegaan. In zijn rapport had Samson genoteerd dat ‘het merendeel van het team’ waar het slachtoffer deel van uitmaakte, de speler die met het geweld was begonnen zodanig had belaagd dat die voor zijn leven moest rennen. De vijfkoppige tuchtcommissie vraagt hem of hij zeker weet dat het om ‘het merendeel’ ging. Samson bevestigt dat, hoewel hij, omdat het allemaal zo snel ging, de spelers niet heeft kunnen onderscheiden. De tuchtcommissievoorzitter: ‘Als ik het goed begrijp heeft u de spelers in de haast dus niet herkend maar wel geteld?’ Maar nee, Samson had niet geteld. ‘Als er één op de grond ligt, zijn er nog tien spelers over. Dan kom ik minimaal op zes. Dat weet u zonder tellen helemaal zeker?’ De twijfel slaat hevig en meedogenloos toe. Wat had Samson nou eigenlijk waargenomen? Met een rotgevoel rijdt hij na afloop naar huis: ‘Ik denk aan getuigen en verdachten tijdens rechtszittingen en politieverhoren en aan mijn gestuntel van daarnet. Ik kan maar tot één conclusie komen: de waarheid bestaat niet.’

Maar als je je nergens op kunt beroepen, omdat de wereld ondoorgrondelijk blijkt, hoe moet je dan leven? ‘Eigenlijk weten we niks zeker’, aldus de opa van Belle, de tegendraadse, ernstig zieke hoofdpersoon uit De hemel kan wachten (2009, 2017). Zelfs niet of de wc nog wel op zijn plek staat. ‘Hoe weet je dat er niet drie kaboutertjes […] stiekem de wc hebben weggehaald?’ vraagt hij Belle. ‘Ik kan gaan kijken,’ antwoordt het meisje. ‘Maar dan zetten ze ‘m snel weer terug,’ antwoordt opa. Waarna Belle opmerkt dat ze snapt wat opa bedoelt. ‘Maar het is wel onzin.’  Onzin, ja. Net zoals het geloof in de hemel dat voor hem is. Maar juist opa’s omarming van de absurditeit van het bestaan geeft Belle een kort moment haar levenslust terug. ‘Opa zit te lachen. Ik moet ook een beetje lachen. Opa is zó leuk.’

Maar als je je nergens op kunt beroepen, omdat je eigenlijk niets zeker weet, hoe moet je dan schrijven? ‘Twijfel. Twijfel, twijfel. Twijfel, twijfel, twijfel. Ik weet het werkelijk niet,’ zei Samson in zijn Annie M.G. Schmidtlezing. Toch komt hij tot een soort van antwoord: ‘De controle verliezen.’ Wat voor hem zoveel betekent als: alle grenzen durven overschrijden, alle regels negeren, alle afspraken aan je laars lappen, alle logische conventies in de prullenbak gooien, vergeten hoe-het-is, voorbijgaan aan hoe-het-hoort en dus durven bewegen van zin naar onzin.

Samson kan dat verdomde goed. Want kom er maar eens om ‘op de vierde woensdag van oktober het huilen af te schaffen’, omdat de meeste mensen voor hadden gestemd (Zeb.). Kom er maar eens om een basisschoolmeisje haar vriendinnetje te laten vermoorden, en zo een rotkind als Rifka de kinderboekenwereld in te schoppen zónder haar gemene karakter te verklaren. Dan moet je de controle durven verliezen. Dan moet je, zoals Guus Kuijer ooit zei, accepteren dat je als schrijver een personage dingen laat doen zonder dat je weet waarom, en dat het personage het zelf ook niet weet. Dan moet je dus accepteren dat we uiteindelijk niet kunnen begrijpen. Niet onszelf. En niet elkaar. Maar we hebben de taal. Nee, we hebben slechts de taal. Want schieten woorden niet altijd tekort? ‘Driemaal is scheepsrecht. Ik weet niet wat scheepsrecht is, maar zo noemen ze dat. Als iets drie keer achter elkaar mislukt, dan lukt het nooit meer. Of iets moet de derde keer lukken. Of iets mislukt twee keer en de derde keer nooit. Of ook de derde keer. Of altijd. Ik weet het eigenlijk niet. Als je ergens een derde kans voor hebt, dan heet dat in elk geval scheepsrecht.’ Dit citaat van het door zwemangst bevangen jongetje Gied uit Met je hoofd boven water (2010) is alleszeggend: taal schiet inderdaad tekort.

‘Je zult nooit weten wat er gebeurt in de hoofden van anderen.’ Dit is het motto dat Gideon Samson Zeb. meegaf, ontleend aan het werk van de Israëlische schrijver Etgar Keret, bekend van zijn korte absurdistische vertellingen. Het is het enige denkbare motto voor een fenomenaal boek vol absurde, vrolijk makende, ontregelende en ondoorgrondelijke vertellingen van een schrijver die het idee van de absurde mens in een betekenisloze wereld omarmt. Vanuit dat vertrekpunt te schrijven maakt hem vrij, zegt hij in Messen en scharen zijn kindergevaren: ‘Zorgvuldig opgebouwde muren brokkelen een voor een af en met een beetje geluk begin ik te zweven. Ja, werkelijk, ik stijg op van de grond.’ Klinkt dit onzinnig? Niet over nadenken. ‘Niemand zal ooit helemaal begrijpen wat ik doe’, aldus Samson. ‘Ikzelf natuurlijk ook niet.’

Is het schrijven van dit essay dan een zinloze exercitie geweest?

Ik zwijg.

Het laatste woord geef ik aan Zeb.. Ik bedoel Ariane:

 

Het is stil buiten, alsof er op 30 februari geen mens op straat is. Maar juf Cato had wel gelijk. Het is echt lekker weer voor de tijd van het jaar.

Ik snuif. Ik ruik gras. Geen vers gras, misschien, maar toch duidelijk gras. Ik beweeg mijn kop van links naar rechts, en ja hoor, een eindje verderop zie ik een groenig lapje grond vol sappige sprietjes. In een drafje ga ik eropaf.

Met mijn neus boven de sprieten snuif ik nog een keer heel diep.

Dan buig ik voorover.

Ik begin te grazen.

 

Gideon Samson en Joren Joshua: Zeb. Leopold, 92 blz. (Amsterdam 2018)

 

Mirjam Noorduijn (1961) is freelance journalist en (kinderboeken)recensent, onder anderen voor NRC Handelsblad en Ons Erfdeel. Daarnaast werkt ze voor Stichting Lezen en het Nederlands Letterenfonds. In 2016 verscheen bij Leopold Het boekenboek; onmisbare jeugdboeken uit de Lage Landen dat ze schreef met Veerle Vanden Bosch.