Jan Campert-prijs 2019

In u ben ik gegrond
Over De klaverknoop van Paul Demets
Luuk Gruwez

Het is misschien een kwalijke gewoonte om in de analyse van een dichtbundel veel oog te hebben voor de omslag ervan en die al meteen aan de titel te koppelen. Maar omdat de afbeelding op de bundel De klaverknoop zoveel onthult over de thematiek ervan, schenk ik er aandacht aan. Te zien zijn vier lege stoelen onder een parasol op een strand, heel erg dicht bij de kustlijn. Het duister is net ingevallen, maar het tafereel baadt in de vreemde oranje gloed van een lamp. Van de locatie gaat zowel rust uit als de dreiging van een ongewisse toekomst, vanwege de onbevattelijke eindeloosheid die contrasteert met het begrensde, beperkt belichte tafereel van het strandmeubilair op de voorgrond.

Er is een duidelijk verband tussen de foto en het klavertjevier, metafoor voor hoogst toevallig en uitzonderlijk geluk binnen een gezin waarvan de dichtende ik-persoon de vader is die zijn verzen aan de drie overige gezinsleden opdraagt. Gesuggereerd wordt dat wanneer een van de  blaadjes van het frêle plantje er niet meer is, het klavertjevier ophoudt een klavertjevier te zijn. Het exquise geluk van het gezin is pas mogelijk als het volledig blijft. Immers: het gaat de dichter om het creëren van verbondenheid, verknooptheid. Hij streeft ernaar van zijn poëzie een veilig onderkomen te maken. Met zijn pen, zijn belangrijkste wapen, trekt hij ten strijde tegen wat zijn gezin bedreigt.

Paul Demets, de met de Jan Campertprijs bekroonde dichter, is een meester in de formulering van suggesties en gelaagdheden middels bedrieglijk simpele titels. Ook in zijn vorige bundel, De bloedplek, was dit het geval. Kort na de publicatie ervan schreef ik hierover in De Standaard derLetteren: ‘Die titel […] verwijst uiteraard naar leven, meer specifiek naar het menselijk lichaam als een soort huis van vlees waardoor bloedbanen lopen. Maar tegelijk […] refereert hij aan wat daarin gehavend is, aan de plek van een bloeduitstorting, aan bloedverlies of bloedvergieten, bijvoorbeeld. Het is zeer de vraag of hier niet in even grote mate naar de dood als naar het leven wordt verwezen. De bloedplek, is dat niet ook een naam die je zou kunnen bedenken voor een slachtpartij of op zijn minst, bijvoorbeeld, voor een plek waar iemand gewond is geraakt? […] Bovendien genereert het woord “bloedplek” vanwege de assonantie ook een associatie met “broedplek”. En dat brengt ons inderdaad bij de essentie […]: de broedplek, een plek waar geboren wordt, blijkt in hoge mate een bloedplek te zijn, een plek die het einde in zich draagt.’ En een broeinest, een weinig benijdenswaardige kweekplaats, voeg ik daar na de lectuur van De klaverknoop aan toe.

Alles is één in het werk van Demets. Daartoe maakt hij ook in De klaverknoop gebruik van significante assonanties. In het woord ‘Moedervlek’, titel van de eerste cyclus uit De klaverknoop, resoneert zelfs nog de klank van De bloedplek. Er zijn weinig Nederlandstalige dichters in wier werk een stijlfiguur als assonantie zo’n diversiteit aan betekenissen draagt.

In alles wat hij schrijft, streeft Demets (1966) immers naar verbinding en cohesie, probeert hij te ontsnappen aan de dreiging waardoor plots alles kan worden verstoord. Hoe dat komt? De dichter laat zijn ik-personage verslag uitbrengen van een heel ander, minder vredig en minder liefdevol gezin. Geschetst wordt de leefkern waarin hij is grootgebracht. Daarin heerst een moeder die het altijd voor het zeggen heeft, maar nooit ‘het achterste van haar tong’ laat zien. Meer dan liefde is het veroverzucht die haar kenmerkt. Uit alle macht probeert haar zoon aan haar te ontsnappen, terwijl zij hem juist tot verstikkens toe naar zich toe wil trekken om te vermijden dat hij iemand wordt die zij misprijst: iemand die helaas geen facsimile van haarzelf is.  Hij is iemand die zij obsessief probeert te gijzelen, iemand van wie zij de cipier wil zijn.

 

Voor de dichter begint de definitie van zijn ik dus bij de moederfiguur. Zij die hem een beloftevolle bakermat dacht te bieden, is juist iemand van wie hij afstand wil nemen. Er heerst tussen haar en de ik een bijzonder conflictueuze rivaliteit. Zij wil hem scheppen naar haar beeld en gelijkenis, terwijl hij zichzelf wil maken en uit haar invloedssfeer probeert te vluchten. Het is een bepaald dichterlijk te noemen ambitie: menig dichter wil nu eenmaal zichzelf uitvinden uit onvrede met de educatieve mal die men voor hem heeft klaargezet en waarin hij zich niet thuis kan voelen.

Het aanvangsgedicht uit de eerste cyclus spreekt al boekdelen. Ik citeer het hier integraal:

Moedervlek

I

Ik houd mij ver van haar, maar ze trekt mij dichterbij.
Wat ze in zich droeg, rust rood als in watten gedoopt
op tafel. De slagader klopt in haar lies. De stift
likt haar lippen. Deze kamer kent geen buiten.

De gordijnen verstikken het licht. We schuiven
aan om niet te verstoffen en serveren wat zij
voor ons verkiest. Op zondag snijdt hij het vlees.
Het lemmet is het verlengde van zijn hand.

De druppel. De brand die hij in zijn vinger voelt.
Dieper kerft hij. Zo geneest hij ons het liefst.
Elk houden we de uiteinden. Ze veegt nog
een vouw uit het laken dat we hebben geplooid.

 

Het oude gezegde dat het bloed kruipt waar het niet gaan kan, moet Paul Demets (of althans de ik die zijn spreekbuis is) vertrouwd in de oren klinken. Het is wellicht geen toeval dat hij zijn bundel laat beginnen met een bloederig tafereel, waarmee hij direct de link met zijn vorige bundel legt. De genetische continuïteit die hij oproept, is een constante. De roep van het bloed: het is toch in enige mate, los van elke politieke connotatie, die van hem. Waar klopt de slagader in bovenstaand gedicht? Precies: in de lies van de moeder, dichtbij de plek van zijn ontstaan. En waarom heet dit gedicht in hemelsnaam ‘Moedervlek’? Misschien omdat hij de aanwezigheid van zijn moeder van meet af aan als een vlek op zijn eigenheid beschouwt. Geen sprake van dat de buitenwereld ooit binnenkomt in het imperium waar zij de plak zwaait: ‘De gordijnen verstikken het licht.’ Er had kunnen staan: ‘laten het licht niet door’ of ‘schermen het licht af’. Maar Demets kiest voor ‘verstikken’: een woord dat veel beter past bij het idioom dat op de wereld van de moeder betrekking heeft.

Wat gaat er zoal fout tussen haar en haar zoon? Zij kan zichzelf niet zijn zonder hem. Hij kan zichzelf enkel zijn zonder haar. Maar is dit wel zo? Misschien heeft hij haar juist nodig om zich af te zetten. Ook in zijn dichterlijke hoedanigheid. Blijft het feit dat zij met verwonding wordt geassocieerd: ‘Wat ze in zich droeg, rust rood als in watten gedoopt/ op tafel.’ Door een regel als deze kan het niet anders of de lezer zal, wanneer hij zich deze moeder herinnert, onvermijdelijk aan iets als de zondagse rosbief blijven denken. Het is een sterk beeld, omdat het verwijst naar wat de ik ook zelf in allereerste instantie is: vlees.

De machtsverhoudingen binnen dit gezin zijn duidelijk. De moeder met haar stevige ego en haar neiging tot zelfbeklag staat niet toe dat haar kinderen zelf kiezen: ‘We schuiven/ aan om niet te verstoffen en serveren wat zij/ voor ons verkiest.’ Veel kans op ademruimte krijgt de hoofdpersoon niet. Hij is, bijvoorbeeld tijdens de vaat, het slachtoffer van een haast macabere dagelijksheid: ‘Haar nagels een klauw liggen op mijn arm/ te azen.’

Ook de vader is alleen maar een instrument van zijn vrouw. Zelfs met het mes in de hand is hij veroordeeld tot dienstbaarheid. Dat hij het vlees voor de gezinsleden mag snijden, reduceert zijn functie tot iets ornamenteels. Hij blijkt het bovendien nog onhandig te doen, snijdt in eigen vlees. En o, die koele achteloosheid waarmee zijn vrouw aan het eind nog iets onbenulligs als een vouw gladstrijkt.

De vader is, kortom, toch maar een schlemiel, zelfs in de tweede cyclus die weliswaar ‘Vaderhand’ heet, maar waarin iemand wordt opgevoerd die allerminst als een stevig gezinshoofd wordt omschreven. Meer dan eens flitste mij bij het lezen van deze gedichten, vooral met betrekking tot zijn wederhelft, de bekende versregel van Ida Gerhardt door het hoofd: ‘van haat eendrachtig het gezin.’ Dit is niet bepaald de eendracht waar de ik-persoon zijn zinnen op heeft gezet. Precies door de herinnering aan het gezin waarin hij is opgegroeid en waarin de cohesie zoek was, wordt hij met grote volharding tot het tegenovergestelde geïnspireerd: eenheid en verbondenheid betrachten in het gezin waarvan hij intussen zelf de pater familias is. Een heel andere pater familias, mogen wij aannemen, dan deze van wie hij afstamt en aan wie een cyclus wordt gewijd waarvan het zesde gedicht als volgt gaat:

 

Zijn been slaapt. Zijn schoen die niet meer past
lijkt erachteraan te lopen. Hij sleept zich naar de koude kas.
Telen is het zwaarste niet, maar oogsten. Liefst
het vertrouwde. Het zonlicht spant een valstrik, de bloemen

geuren naar vanille. Er zijn omstandigheden.
Hij blijft herhalen: niets woekert zonder reden.
Niet dat het gebeurt, maar wanneer. Vatbaar voor schimmels
als de schorseneren. Op tijd dient gescheurd. Aangeaard.

In het donker het ontpoppen. Steeds meer plaats.
Je kunt geen dingen in de grond blijven stoppen.
Hij ruimt de tafel, ruimt zijn hoofd en niemand
nog in huis die hem op zijn woord gelooft.

De wind als van een ventilator draait zo zot
rond zijn oren. Hij raapt zich bijeen. Een spitvoor
is nodig. Op tafel liggen wit geschraapt weer
haar vingers. Hij is zijn smaak verloren.

 

Het beeld dat hier van de vader wordt geschetst is niet dat van een schepper die zich in talrijke successen mag verheugen. Hij mag dan al iets in gang kunnen zetten, hier bijvoorbeeld de teelt van schorseneren, maar het resultaat van zijn onderneming is niet bepaald geslaagd: ‘Telen is het zwaarste niet, maar oogsten.’ Nooit schrijft hij dit aan eigen onkunde toe: ‘Er zijn omstandigheden.’ In de wereld van Demets is dit een betekenisvol vers, want op diverse plaatsen benadrukt hij het belang van wat ons omringt voor de ontwikkeling van elke menselijke identiteit. Maar er is natuurlijk ook iets als een eigen inbreng voor wat hij herhaaldelijk als een ontpoppingsproces omschrijft. Je moet bereid zijn zelf de cocon te doorbreken om toegang tot het bestaan te verkrijgen en om de vleugels uit te slaan. Door zijn falen zozeer toe te schrijven aan de omstandigheden, bewijst de vader niet veel meer te zijn dan een speelbal van het lot, staat hij volkomen machteloos en stuit hij op het ongeloof van zijn naasten: ‘niemand / nog in huis die hem op zijn woord gelooft.’ Hij wordt veroordeeld tot doelloosheid en zijn inspanningen om iets tot een goed einde te brengen, blijven onbeloond: ‘Hij is zijn smaak verloren.’

Wanneer kan iemand ‘ik’ zeggen? Wanneer men datgene dreigt te worden waardoor men wordt omgeven, is het tijd om op te staan en de eigen weg te gaan. De dichtende ik is een bang jongetje dat altijd vluchten wil, erop uit is het hazenpad te kiezen. ‘Dit huis kruipt in mijn botten,’ stelt hij vast. Tussen zijn muren loopt elke vorm van communicatie met de bewoners spaak: ‘Met geen stokken kan je een woord naar buiten krijgen.’ Er is behoefte aan conflict voor het verwerven van persoonlijke vrijheid, maar dan nog is een rimpelloos portret niet gegarandeerd. In de slotregel van de cyclus ‘Ouderhuis’ staat het als volgt te lezen: ‘Nog steeds verpop ik. Ik vlieg uit en in.’

Opmerkelijk aan deze bundel is dat je hem haast kunt lezen als een vervolgverhaal of als het lineaire relaas van een wordingsproces. Maar het einddoel dat de ik voor ogen houdt, blijft ondanks alle vallen en opstaan onverstoorbaar hetzelfde: ‘Ik moest leren vliegen.’ Dit impliceert dat hij de breuk met het nest waarin hij is grootgebracht aanvankelijk als een bevrijding ziet. Later in de bundel zal hij zich realiseren dat dit misschien een te utopische voorstelling van zaken is. Dan relativeert hij in een van de gecursiveerde gedichten zijn te optimistische verwachting: ‘Ik loog dat ik vloog.’ En nog: ‘Ik moest leren liegen.

In een bespreking van De klaverknoop heb ik in De Standaard over deze kwestie al het volgende opgemerkt: ‘De dichter legt er […] de nadruk op dat iets als een eigen identiteit misschien nooit zal bestaan, evenmin als een geest vol cohesie en harmonie. Alleen door middel van vermomming kan men zich […] enigszins overeind houden. De mens is en blijft een “nomade” (titel in deel II), op zoek naar een “monade” (anagram van “nomade” en titel van deel I). Een monade is in de filosofie een ondeelbare eenheid. Het is de mens eigen daarnaar te snakken. Dat doet ook de “ik” hier heel intensief, maar tegelijk vruchteloos.’

Er is een nogal smerig smakend kruid dat vrouwenmantel heet. In de hoedanigheid van kruidenthee wordt het soms aangewend voor de bestrijding van allerlei vrouwenkwalen en voor het herstel van de baarmoeder na een bevalling. Vooral dat laatste kunnen wij misschien even onthouden. Demets schrijft in de cyclus ‘Vrouwenmantel’ een markant gedicht met als titel ‘Grondeling’. Daarin gaat zijn personage nogmaals de confrontatie met zijn moeder aan.  Een grondeling is een zeevis die zich, al dan niet betekenisvol voor deze verzen, over de bodem beweegt. In betreffend gedicht wordt een exemplaar opgevist dat niet groot genoeg is om als vangst mee naar huis te worden genomen en daarom terug in het water wordt gegooid. De dichter associeert zijn ik-persoon, die zichzelf kennelijk ook ondermaats vindt, met de vis in kwestie. Hij heeft het gevoel een kind te zijn dat ongewenst is en niet goed genoeg om te worden behouden. Er kleeft bovendien een akelig rijmwoord op ‘grondeling’ aan hem: ‘vondeling’. De door hem beschreven communicatie tussen moeder en zoon geschiedt onder water. Heldere communicatie is uitgesloten. Zo dramatisch eindigt dit gedicht: ‘Laag: de echo van de schoot waaruit ik/ ben geboren. De vondeling […]/ van wie zij niet meer wil horen.’

Kan dit misschien een kantelmoment in deze bundel zijn? Ontstaat hier bij de ik het besef dat hij voor een wederwoord moet zorgen, waardoor hij bewijst dat hij bestaat en op die manier misschien zelf voor een soort geboorte moet zorgen? Wordt hij met de dichter als intermediair de schepper van zichzelf? Bij haast elk van deze gedichten overvalt je het besef dat de woorden ervan een soort remedie zijn tegen de pijn van een geboorte die niet tot voldoening heeft geleid.

De gedichten die op bovengenoemd vers volgen, zijn bijzonder aards van toon. Er is bijvoorbeeld aandacht voor een groente als de topinamboer, de aardpeer, die ‘stinkt naar grond’. Nog een gedicht verder lezen wij: ‘In jou ben ik/ doorgrond. Ik hou mij op bij de aarde.’   (Na een regel als deze mag het niet verbazen dat Paul Demets ook de titel voert van plattelandsdichter van Oost-Vlaanderen.)

 

Net als in De bloedplek staan er in De klaverknoop intrigerende gedichten waarin voortdurend het persoonlijk voornaamwoord ‘het’ opduikt. ‘Het’ verwijst hier naar iets dat geen welomschreven definitie krijgt, maar zich door een aantal nogal hypothetische begrippen laat invullen. In de cyclus ‘Vaderrol’ worden verschillende personen opgevoerd die met elkaar een verantwoordelijke functie gemeen hebben en die met zijn allen geconfronteerd worden met dat rare ding of onding dat alleen maar ‘het’ heet. ‘Het’ onderscheidt zich van de andere persoonlijke voornaamwoorden (ik, hij, zij, wij, enz.) doordat het niet noodzakelijk naar een levend wezen verwijst. Wat is ‘het’? In De bloedplek leek het mij in de eerste plaats om de lichamelijke incarnatie van de dreiging te gaan. En ook in De klaverknoop lijkt het iets dat orde en harmonie verstoort (‘Het leidt je om te tuin.’), onrust baart en tot elke prijs bedwongen moet worden. Ook lijkt het verbonden met de precaire poging van de hoofdpersoon om zich een eigen ik te verwerven:

 

Samen viel ik. Ik verzon woorden om het te benoemen en vergat
onze namen. Ik zocht mij in wie ik had voortgebracht harig
en wist niet wat het in mij had verwekt. Het kraaide en zaaide
zich in mij, een rups die mij proefde en zacht aan mij vrat.

 

Meer dan eens wordt in deze bundel verwezen naar de rups en het niet evidente proces van de ontpopping tot vlinder als metafoor voor een ideaal ik dat hardnekkig wordt nagestreefd, ondanks het besef dat je, om te kunnen vliegen, ook liegen moet. En hoe noodzakelijk is het om ‘het’ uit te schakelen als men er uiteindelijk in wil slagen ‘ik’ te worden?

Naarmate het eind van de bundel in zicht komt, verruimt het tracé ervan zich meer en meer van de beslotenheid van een claustrofobisch stemmende binnenkamer naar de weidsheid van de wereld. Demets gaat met zijn dichterlijke personage op reis, wordt nomade met de nomaden, confronteert een persoonlijke problematiek met de actualiteit van de migranten. Weer suggereert hij het grote aandeel van de omgeving op wat men uiteindelijk zal worden. Er zijn omstandigheden, inderdaad, en die hebben grote invloed. Maar de wereld is niet langer die van het gezin waarin hij is grootgebracht. Er gaat een paradoxaal motto van Gilles Deleuze vooraf aan ‘Nomade’, de slotcyclus van De klaverknoop: ‘Rien ne voyage moins qu’un nomade.’ De suggestie is dat een nomade reist om te berusten in zichzelf. De ik neemt hem tot reisgezel en lijkt op die manier zijn ik te vinden. Niet dat dit zonder slag of stoot gaat. Hij wordt uiteindelijk een eigenheimer, de vreemdeling die in elk van ons woont en uit talloze anderen is samengesteld. Waren dit eerst nog de leden van zijn gezin, dan werden het gaandeweg allen met wie hij hetzelfde parcours aflegt: medereizigers die ons nabij, maar soms ook vreemd zijn. Wij blijken, als wij het goed nagaan en hoezeer wij ons territorium ook willen bewaken, vol vreemdelingen te zitten. ‘L’étranger nous habite’: Paul Demets citeert Julia Kristeva.

De conclusie is dat men te midden van zijn medereizigers een ‘eigenheimer’ (titel van de slotcyclus) blijft die in mindere of meerdere mate met zichzelf in de knoop ligt. Niemand komt uiteindelijk te weten welk vreemd wezen die mens toch is die in hem of haar schuilgaat. Ook een dichter niet. Maar Paul Demets laat in De klaverknoop het woord vlees worden in magistrale gedichten.

 

Paul Demets: De klaverknoop. De Bezige Bij, 64 blz (Amsterdam, 2018).

Luuk Gruwez (1953) is dichter en schrijver. Zijn recentste dichtbundel is Bakermat (2018). Voorjaar 2020 verschijnt in de reeks Privé-domein van De Arbeiderspers Het land van de handen, autobiografisch proza.