| Jan Campert (1902-1943)
Over het leven van Jan Campert was niet erg veel bekend, tot de
verschijning in 2004 van 'Wie weet slaag ik in de dood. Biografie
van Jan Campert' door Hans Renders. Met veel feiten, anecdotes,
citaten van en over Campert en een uitvoerige beschrijving van de
tijd waarin hij leefde en werkte, schetst Renders een portret van
de journalist, schrijver en dichter Campert, die overigens in geen
van deze genres speciaal naam heeft weten te maken.
Het beeld dat uit Renders' boek oprijst, bevestigt de mening van
G.H. 's-Gravesande, die in 1947 als een van de eersten een poging
deed tot kenschetsing van Campert in de inleiding bij de postuum
uitgegeven Verzamelde Gedichten. Iemand met een 'bohème-natuur',
typeerde hij Campert, 'een man die een ongeregeld leven aan de zelfkant
leidde.' Zelf oordeelde Campert dat hij zijn leven 'slordig' had
'beheerd'.
Slordig
Jan Campert leidde geen rechtlijnig, maar een slordig bestaan. Zo
lijkt ook zijn houding voor en vlak na de bezetting wat nonchalant
te zijn geweest, mogelijk uit een soort politieke wereldvreemheid.
Misstappen kun je zijn activiteiten niet eens noemen, eerder de
wanhopige pogingen van een armlastige schrijver om nog iets te verdienen.
In 1937 en 1938 leverde hij bijdragen aan het dubieuze tijdschrift
De Waag, in 1940 vertaalde hij het niet Duits-onvriendelijke De
misdaad der evacuatie van Jean de la Hire en in 1941 nam hij
een lay-outopdracht aan van een NSB-uitgever. In mei van datzelfde
jaar vroeg hij subsidie aan bij het Departement van Volksvoorlichting
en Kunsten om een roman te kunnen schrijven. Hij kreeg 480 gulden
in zes maandelijkse porties, maar zou de roman nooit voltooien.
'Er is overigens geen reden om aan te nemen dat Campert deze en
dergelijke werkzaamheden met voldoening verrichtte', schreef Lou
de Jong in deel zes van Het Koninkrijk der Nederlanden,
'zijn hart lag bij het verzet'. In dezelfde periode waarin Campert
zijn verzoek om subsidie deed, schreef hij ook al verzetspoëzie,
waaronder het later beroemd geworden ‘Lied der achttien dooden’.
Ambivalentie
Camperts tweeslachtigheid komt uitvoerig aan de orde in de biografie
van Hans Renders. Hij stelt vast dat bij Campert onder een laagje
lichtzinnigheid een zwaarmoedig karakter schuilging en noemt hem
een complexe man, op wie de termen 'goed' en 'fout', de etiketten
van de bezettingsjaren, geen vat kregen.
De
Achttien doden
De achttien dooden
Wie nu aan Jan Campert denkt, denkt niet aan zijn Verzamelde
Gedichten, maar aan dat ene lange vers, het ‘Lied der
achttien dooden’. Of ‘De achttien dooden’ zoals
het vaker genoemd wordt en waarmee hij volgens Hans Renders in Gevaarlijk
drukwerk (2004), de status bereikte van 'de Anne Frank onder
de verzetsdichters'. Als rijmprent bereikte het tijdens en ook na
de bezetting een groot publiek. Veel lezers hebben aanvankelijk
gedacht dat hijzelf een van de achttien terdoodveroordeelden was
over wie het gedicht spreekt. Dat droeg bij aan de romantische mythevorming
rond het gedicht. Hij zou het met ware doodsverachting vlak voor
zijn executie hebben geschreven én uit zijn cel hebben weten
te smokkelen. In werkelijkheid is het gedicht geschreven in 1941,
waarschijnlijk geïnspireerd door een bericht in het illegale
Parool van 9 april 1941 over de eerste executie van een Nederlandse
verzetsgroep, de Geuzen. Vijftien leden van deze groep werden op
13 maart 1941 terechtgesteld op de Scheveningse Waalsdorpervlakte,
samen met drie Amsterdamse communisten die betrokken waren geweest
bij de Februaristaking.
Joodse vluchtelingen
Campert hielp joden die naar België probeerden te ontkomen.
Samen met een journalist van de Bredasche Courant, Martien Nijkamp,
begeleidde hij in de zomer van 1942 joodse vluchtelingen naar de
Belgische grens, waar zij door zogeheten 'passeurs' over de grens
werden geholpen en voorzien werden van nieuwe identiteitspapieren.
Vanaf Turnhout moesten ze op eigen gelegenheid verder reizen. Ze
moesten 300 gulden betalen voor deze operatie. Toen Campert en Nijkamp
op deze manier ongeveer twintig joodse vluchtelingen hadden helpen
ontsnappen, ging het mis. Op 21 juli 1942 werden Campert en Nijkamp
gearresteerd met de man die naar België wilde vluchten, Frans
van Raalte. Iemand had de Sicherheitspolizei getipt. De drie mannen
werden naar de gevangenis in Breda gebracht, waar Van Raalte dezelfde
dag zelfmoord pleegde. Campert zat eerst drie maanden gevangen in
Breda en kwam via het gevangenkamp Haaren en het doorgangskamp Amersfoort
uiteindelijk, net als Martien Nijkamp, terecht in het concentratiekamp
Neuengamme bij Hamburg. Op 6 januari 1943 schreef hij zijn laatste
briefkaart, waarin hij zijn moeder verzocht om toezending van warme
kleren en zware schoenen. Hij wilde graag een warme pullover, omdat
het koud was en hij pijn voelde in zijn borst. Zes dagen later,
op 12 januari 1943 bezweek hij op veertigjarige leeftijd aan de
gevolgen van een longontsteking. Zo luidt de officiële verklaring.
Rijmprent
Een half jaar na zijn dood herleefde Jan Campert, om zo te zeggen,
als dichter van ‘De achttien dooden’. Er zit een mooie
heroïsche geschiedenis aan vast. In 1941 had een groep studenten
in Utrecht het zogeheten Kindercomité opgericht. Het hielp
joodse kinderen en later ook volwassenen aan onderduikadressen en
bracht hen er ook naar toe. Voor de organisatie hiervan was veel
geld nodig. Het gedicht ‘De achttien dooden’ was een
maand na Camperts dood in de illegale kranten Het Parool en later
nog eens in Vrij Nederland gepubliceerd. Geert Lubberhuizen van
het Kindercomité kwam op het idee om er een rijmprent van
te maken met een illustratie van de graficus Fedde Weidema, om met
de opbrengst ervan geld bijeen te brengen voor het Kindercomité.
Tijdens de bezetting werd de rijmprent vele malen herdrukt in een
totale oplage van ongeveer 15.000 exemplaren. Na de bevrijding werden
er nog eens ruim 63.000 exemplaren van verkocht. Deze verkoopactie
leverde al tijdens de oorlog 75.000 gulden op en vormde het startkapitaal
van de aanvankelijk nog ondergrondse uitgeverij De Bezige Bij.
Bloemlezing en herinneringen
Behalve de biografie over Jan Campert verscheen in 2004 ook een
bloemlezing uit de poëzie van Jan Campert, 'Jan Campert. Dat
ik van binnen brand', eveneens samengesteld door Hans Renders.
Camperts zoon Remco schreef Over mijn vader, een boekje met herinneringen
aan Jan Campert.

|